

Wanneer je vandaag de dag Wouter zegt denkt de gesprekspartner onmiddellijk dat het gaan zal over de ‘leider’ van de Partij van de Arbeid. In mijn geval is dat niet zo!
In de eerste plaats kom ik – tot m’n vreugde – nog uit een tijd waarin partijen geen ‘leiders’ hadden. Daar was een goede reden voor. De geschiedenis had in ondermeer Duitsland, Italië, Spanje en Portugal geleerd dat het hebben van een ‘leider’ (in sommige talen ook wel Führer genoemd) tot nogal wat narigheid kan leiden. We dachten dus dat het in het algemeen beter zou zijn wanneer de besluitvorming ook in een politieke partij continue op democratische wijze zou plaatsvinden. Debat, weet u nog wel?
Helaas heeft men in de vaderlandse politiek die gedachte wat laten varen, en je hoeft geen wonder van intellect te zijn om te kunnen voorspellen dat we daar nog vrij veel ellende mee gaan krijgen. Of ‘gaan krijgen?’
Me dunkt, bij de VVD kunnen ze daar al – als ze zouden willen of durven – een aardig woordje over meespreken. Leiderschapscrisis op leiderschapscrisis en voortdurend wel een totaal van het normale fatsoen losgezongen Mevrouw die keer op keer meldt dat ze ook aan de beurt wil komen. Met de PvdA is het maar ietsje beter gesteld, een losse opmerking van de zogeheten leider over een bijdrage van ouderen en niemand kijkt meer verder dan de neus lang is. Zijn woord wordt voor wet aangenomen. Terwijl de nabije geschiedenis (het alweer bijna vergeten WAO-verraad van Kok) toch had kunnen leren welk een schade deze uitlevering aan één persoon samenleving én partij kan berokkenen.
Maar Wouter betekent voor mij dus niet onmiddellijk ook Bos. Dat zit zo:
De jaren ’60 van de vorige eeuw waren voor ons niet alleen de jaren van de grote kladderatsch, de liever revolutie, de bloemenkinderen. Nee, voor ons min of meer normale schepseltjes uit de westelijke tuinsteden betekende het ook Caldonazzo!
In het verheugende bezit van pas verworven welvaart trokken de gezinnen in autootje met bakkie naar het grote onbekende buitenland. Veelal – maar lang niet altijd – werd ruim voldoende voedsel meegenomen. Immers, die lui in vreemde oorden hielden er eigenaardige etensgewoonten op na. Olijfolie inplaats van ordentelijke margarine, ik noem maar wat.
Wij zelf (mijn moeder, m’n toen nog zeer jonge broer Adri en ik) we togen in ’64 in een achteraf bezien schrikwekkende bustocht naar het Gardameer! En we voelden ons ware globetrotters. Teneinde de lokale bevolking in geval van nood – weet je veel – mild te stemmen had ik me, in moeders opdracht, voorzien van een kistje bolknakken om eventuele buitenlandse mannetjes bij onverhoopt benodigde hulp passend te kunnen belonen. Zo’n Hollandse sigaar, zo had Dr. L. van Egeraat nog op het enige tv-net uitgelegd, gold in die streken als een uitzonderlijke lekkernij waarvoor men gaarne de handen uit de mouwen stak.
De ouders van onze zeer bevriende buurkinderen (Marjo, André en Tom Soederhuizen) beschikten over een eigen bescheiden limousine en na ommekeer van onze zeer avontuurlijke tocht vernamen wij over hun ook buitengewoon geslaagde vakantie in een nog fantastischer oord: een meer met redelijk warm water nabij Trento. Kortom: Caldonazzo.
Dat wilden en moesten wij ook. En in de volgende jaren bleek Caldonazzo (ooit in de Libelle ontdekt door de vergeten kleinkunstenaar Jan Blaazer) een waar verzameloord voor ‘moderne’ jongelui en hun begripvolle ouders.
Ontmoetingen en avonturen om nooit te vergeten. Een blonde schone uit Den Haag naar wie ik alleen dorst te kijken: Hetty. Peter & Mariska. Een beeldschone dame wier naam ik kwijt ben maar haar benen – taps toelopend zonder waarneembare knie – zal ik nooit vergeten. De vreselijke honger soms. Die zenuwe-italianen eten ook zo laat.De keer dat André het uiterst moderne Morris Coopertje zo fanatiek in de bocht wierp dat een oudere dame (zeker wel 40!) zich slechts door een duik in de struiken voor destructie wist te behoeden. De daarop volgende tocht naar de lokale politiepost, nadat we door prachtige Carabinieri op de camping Spiaggia waren aangesproken. Hoe we na 20 minuten voor ons onbegrijpelijk Italiaans opstonden en de commissaris (of wat het ook was) en het overige personeel een stevige handdruk gaven en ongehinderd het pand verlieten. De lokale playboy Roberto, zo moet Berlusconi er jong hebben uitgezien. Het was allemaal schitterend en heeft diepe indruk gemaakt.
Het leven was een feest! Nog steeds kom ik lieden tegen die bij het horen van het woord Caldonazzo een dromerige blik in de ogen krijgen en vooralsnog niet te stuitten zijn in hun geestdriftige verhalen.
Natuurlijk waren er ook minieme zorgjes. De keer dat we de herbergier van de ‘Due Spade’ poogden over te halen het eten al om 5 uur op tafel te brengen. Onze smoes was dat we met spoed een trein naar Amsterdam dienden te halen. Toen de man – bij gebrek aan aanwezig personeel – bleef weigeren hebben we hem toegebeten: ‘Dan moet je het zelf maar weten, gaan we ook niet naar Amsterdam.’ Zo, die zat!
En dan was er soms ook geldgebrek. Ik herinner me een groepje jongens onder aanvoering van (daar komt’ie!) ene Wouter. De week duurde nog lang en het geld was bijna op. Oplossing: ga langs de tenten en vraag of ze nog brood van gisteren hebben! Die Wouter heette van achteren Levenbach. Mijn moeder kende de zijne nog, ze hadden beide als meissies op hetzelfde naaiatelier gewerkt.
U, lezer kent Wouter trouwens ook. Niet onder die naam. Maar als de succesvolle Franse zanger Dave, u weet wel van ‘Dansez Maintenant’, beroemd tot op het podium van de Olympia. En waarschijnlijk verliefd terugdenkend aan de tijden van het brood van gisteren….
Daar moest ik aan denken toen ik hem vanavond op de Franse televisie zag. Nog steeds herkenbaar, een tikkie ouwemannenkoppie gekregen, maar wie niet?