Archief voor maart 2007

Edith en Les Compagnons de la Chanson

maart 31, 2007

a0001a.gif

Het snoepje van de week brengt dit maal Edith Piaf en de Compagnons de la Chanson in ‘Les Trois Cloches’. Over Edith en haar weinig gelukkige leven alsmede haar onnavolgbaar succes hadden we het al eens. Les Compagnons bezaten een formidabele en internationale faam. Gedurende meer dan 40 jaar (1941-1983) traden zij – in uiteraard wisselende samenstelling – niet alleen in Frankrijk maar tot in Canada en de VS op.

Maar los van dat alles, let eens op deze unieke act. Dit soort optredens behoort definitief tot een prachtig verleden.

‘Les Trois Cloches’ was ook in Nederland een absolute hit tot in de Arbeidsvitaminen toe. Vanzelfsprekend werd de tekst hier niet steeds begrepen en misschien is dat maar goed ook. Nauwkeurige lezing levert maar één conclusie op: een smartlap van de eerste orde!

Alleen de kwaliteit van de vertolking redt het lied van de ondergang!

Let ook eens op de meneer uiterst rechts op de eerste rij die zijn kunstgebit heeft thuisgelaten….

Les Trois Cloches

Village au fond de la vallée,
comme égaré, presqu’ignoré.
Voici qu’en la nuit étoilée
un nouveau-né nous est donné.
Jean-François Nicot il se nomme.
Il est joufflu, tendre et rosé.
A l’église, beau petit homme,
demain tu seras baptisé.

Une cloche sonne, sonne.
Sa voix, d’écho en écho,
dit au monde qui s’étonne:
“C’est pour Jean-François Nicot.
C’est pour accueillir une âme,
une fleur qui s’ouvre au jour,
à peine, à peine une flamme
encore faible qui réclame
protection, tendresse, amour.”

Village au fond de la vallée,
loin des chemins, loin des humains.
Voici qu’après dix-neuf années,
cœur en émoi, le Jean-François
prend pour femme la douce Elise,
blanche comme fleur de pommier.
Devant Dieu, dans la vieille église,
ce jour, ils se sont mariés.

Toutes les cloches sonnent, sonnent,
Leurs voix, d’écho en écho,
merveilleusement couronnent
la noce à François Nicot.
“Un seul cœur, une seule âme”,
dit le prêtre, “et, pour toujours,
soyez une pure flamme
qui s’élève et qui proclame
la grandeur de votre amour.”

Village au fond de la vallée.
Des jours, des nuits, le temps a fui.
Voici qu’en la nuit étoilée,
un cœur s’endort, François est mort,
car toute chair est comme l’herbe,
elle est comme la fleur des champs.
Epis, fruits mûrs, bouquets et gerbes,
hélas! vont en se desséchant…

Une cloche sonne, sonne,
elle chante dans le vent.
Obsédante et monotone,
elle redit aux vivants:
“Ne tremblez pas, cœurs fidèles,
Dieu vous fera signe un jour.
Vous trouverez sous son aile
avec la vie éternelle
l’éternité de l’amour.

Veiligheid Boven Alles

maart 30, 2007

p001.gif

Klein berichtje hier in de lokale krant over iemand die met een dronken kop een politioneel rijverbod zou hebben overtreden. Gelukkig geen doden of gewonden, alleen spullen kapot.

’t Was in ’67 of ’68 of zoiets. Waarom we op het politiebureau Leidseplein (tegenwoordig een nederzetting van het concern Bulldog) waren weet ik niet meer. Het zal wel een gestolen fiets zijn geweest of iets dergelijks. Daar gingen ze vroeger nog wel eens naar op zoek. Het was tussen 4 en 5 in de ochtend, nog een paar uurtjes en weer aan ‘t werk. Plezierige avond gehad, dat wel.

Terwijl we met de wachtcommandant staan te praten komt een man binnen. Ergens tussen de 40 en de 50 zou je zo zeggen. Licht wankelend, goed pak, overduidelijk ook een heel plezierige avond gehad.

Zich niets aantrekkend van ons gesprek richt de man zich tot de wachtcommandant, en trekt zijn roze rijbewijs. Hij had nogal stevig ingenomen en wilde geen ongelukken verklaarde hij. Ongelukken, je zou je gek schamen als er wat gebeurde…en zo nog wat verder.

De wachtcommandant doorzag de situatie onmiddellijk, aanvaardde het rijbewijs en sprak lovende woorden. Zo verstandig zou nou iedereen moeten zijn.

Met een breed gebaar nam de man afscheid en verliet onvast het pand.

We hervatten het gesprek over de fiets of wat dan ook…..van buiten klonk het geluid van een aanslaande automotor, en weer af en weer aan.

Tegelijk hadden we alle drie dezelfde gedachte en renden naar het raam aan de voorzijde.

Ferm optrekkend verliet de auto de parkeerplaats, de man van zoëven duidelijk zichtbaar aan het stuur.

Mijmeringen bij een Mythe

maart 29, 2007

mijmering.gif

Onder de inspiratie van de hoog gestegen oud-BU-student Hans Enters brengt Uitgeverij Veen ‘Mijmeringen bij een Mythe’ uit. Dit allerplezierigste werkje van de hand van Dick Matena (Den Haag, 1943) brengt allerhande overpeinzingen en informatie over Eric de Noorman en diens geniale schepper Hans G. Kresse.

Dick Matena groeide op met Tom Poes, Kapitein Rob en Eric de Noorman, stripverhalen die voor hem en talloze generatiegenoten de zeldzame lichtpuntjes waren in de grijze jaren vijftig. Van die strips maakte vooral Eric de Noorman een onuitwisbare indruk op hem. Het fenomenale tekenwerk van Hans G. Kresse, dat ervoor zorgde dat de karakters aanzienlijk meer waren dan zomaar platte figuurtjes op plat papier, benam hem als kind al de adem. En later, toen hij zelf strips ging tekenen en geconfronteerd werd met alle problemen die daarbij horen, nam die bewondering alleen maar toe: Kresse was en is voor hem de beste.

In Mijmeringen bij een mythe blikt Matena liefdevol, maar ook speels en ironisch, terug op zijn jaren met Eric, Winonah, Erwin, Pum-Pum en al die andere onsterfelijke figuren die Kresse schijnbaar moeiteloos op papier zette. Een voor een brengt hij hen voor het voetlicht, om op soms hilarische wijze hun krachten en zwakheden te analyseren. Maar ondanks deze humoristische benadering blijft het duidelijk dat Matena schrijft vanuit een diep respect voor het werk van Hans G. Kresse, met wie hij de laatste jaren van diens leven een hechte vriendschappelijke relatie had.


Dick Matena is een van de bekendste Nederlandse tekenaars. Hij ontving in 1986 de Stripschapprijs voor zijn gehele oeuvre en in 2003 de Vlaamse Staatsprijs voor het beeldverhaal. In 2003 verscheen zijn alomgeprezen stripbewerking van Gerard Reves De avonden, in 2006 gevolgd door het eerste deel. van zijn bewerking van Wolkers’  Kort Amerikaans.

Daihatsu

maart 28, 2007

b0003.gif

Het automobielbedrijf Daihatsu laat ons via hun site en in een bombardement aan tv-spotjes weten dat het milieu bij hen in goede handen is. Al Gore kan trots zijn op Daihatsu, want:

“Vanaf 19 februari levert Daihatsu alle nieuwe auto’s CO2-neutraal. Daihatsu is een overeenkomst aangegaan met de stichting Trees for Travel. Deze stichting houdt zich bezig met de aanleg en het behoud van bossen waarmee uitgestoten broeikasgassen worden gecompenseerd.”

Dat is een mooi bericht. Ook iets voor anderen? Zeker de moeite van het bestuderen waard. Hoe werkt zoiets nou eigenlijk?

De Daihatsu-site (www.daihatsu.nl) zelf geeft geen feitelijke informatie over hoe dat nou in z’n werk gaat. Wel veel opbeurende woorden en we leren dat Daihatsu ook de film van Al Gore in een aantal plaatsen promoot. Maar hoe dat nou precies zit met die CO2-neutrale auto’s? Wel een heel mooie site trouwens. Je raakt echt onder de indruk van het warme enthousiasme van Daihatsu voor ons milieu. Maar ja, we wilden graag weten hoe dat met die CO2-neutrale auto’s nu eigenlijk in z’n werk gaat. Dan maar naar ‘Trees for Travel’ (www.treesfortravel.nl) degene met wie Daihatsu die overeenkomst afsloot.

Dat blijkt ook alweer een bijzonder fraai vormgegeven geheel. Goede voornemens te over. Jammer genoeg kun je er niet vinden hoe dat nou eigenlijk functioneert bij dat compenseren van die broeikasgassen. Wat je wel te weten komt is dat weer twee andere organisaties voor het eigenlijke werk verantwoordelijk zijn. ‘Forest Returns’ en ‘Stichting Face’ treden op als opdrachtgevers voor het doen aanplanten van bossen in Latijns-Amerika en Afrika. Zij doen dat ook weer niet zelf, maar op hun beurt weer via andere organisaties die de zogenaamde CO2-credits verhandelen. Wat ‘Trees for Travel’ nu eigenlijk wel precies doet blijft intussen zeer vaag.

Toch lijkt het nu vrij simpel. Daihatsu koopt via die tussenliggende organisaties (die allemaal een bureau, een consultancyafdeling, een archief en de nodige medewerkers daarbij betrekken en die dus allemaal een deel van de gelden gebruiken) zogenaamde CO2-credits. Het totaal aan die credits zou gelijk moeten zijn aan wat al die nieuwe Daihatsu-autootjes in hun eerste jaar aan CO2-vervuiling de lucht ingooien. Onduidelijk blijft wel waarom er zoveel schakels tussen zitten en welk deel van het geld daarmee gemoeid is.

Het blijkt intussen nog weer iets ingewikkelder dan dat. We zijn namelijk nog steeds niet aan het eind van de keten van organisaties. Uiteindelijk wordt nadat al die clubs zich er op een of andere manier mee bemoeid hebben een aantal CO2-credits gekocht bij een organisatie die in die credits handelt: Een CO2-broker.

Deze broker, neemt uiteraard ook zijn deel van het geld en belooft daarvoor dat ergens op onze fraaie planeet de CO2-uitstoot in dezelfde hoeveelheid verminderd wordt als de besteller(s) aan Credits gekocht hebben.

We kennen dit systeem nog van al weer heel lang geleden. U doet iets dat vreselijk niet deugt en om te voorkomen dat u daarvoor gestraft zult worden koopt u een ‘aflaat’. Wie veel zonden begaat en toevallig ook veel geld heeft kan veel aflaten kopen en dus toch straffeloos verder zondigen. Tegenwoordig noemen we zoiets een perverse stimulans, vroeger gebruikte men die moeilijke woorden nog niet. Toen spijkerde Maarten Luther zijn bezwaren tegen zo’n systeem gewoon aan de kerkdeur.

Maar goed, zelf besparen Daihatsu en u dus nog steeds helemaal niets op de voortgebrachte CO2-vervuiling. Er wordt vanuit gegaan dat  tegen het ter beschikking gestelde geld ergens anders op de wereld wel iemand zo goed zal willen zijn de troep op te ruimen.

Je kunt je dus afvragen of deze hele opzet, waarbij nogal wat geld van tussen min of meer onduidelijke clubs op-en-neer geschoven wordt wel goed zal werken. Hebben we het hier niet over een ingenieus systeem om u in feite aan te moedigen uw schuldgevoel over uw vervuiling opzij te zetten? Je kunt je zelfs afvragen of op deze manier de vervuiling niet eerder aangemoedigd wordt. Immers zo wordt het ons in dit rijke deel van de wereld mogelijk gemaakt de kosten en lasten van onze vervuiling op simpele wijze af te wentelen op de Derde Wereld. De onderliggende boodschap is dan: Ga rustig door met uw energieverslindende en vervuilende activiteiten. Voor een paar losse centen hebt u alles weer helemaal goed gemaakt.

Een van de projecten waar deze organisaties zo trots op zijn betreft de boomaanplant in het Mount Elgon National Park in Oeganda. De bedoeling is dat door die boomaanplant wordt bijgedragen aan de compensatie van onze CO2-uitstoot. Dat gebeurt, mogen we aannemen, op een mooie manier. Al die prachtige verantwoordelijke spotjes en die mooie sites met die goede bedoelingen verplichten tenslotte wel tot behoorlijk en verantwoordelijk handelen. Of niet? Wat vergeet Daihatsu ons in die wervende spotjes te laten weten?

Gelukkig kunnen we ook daar achter komen. De gezaghebbende New York Times doet ons weten:

“villagers living along the boundary of the park have been beaten and shot at, and their livestock has been confiscated by armed park rangers.”

Pardon?

Ja, u leest het goed. Om bomen te kunnen planten waardoor die CO2-uitstoot kan worden gecompenseerd worden dorpelingen in een van de armste delen van de wereld geslagen en beschoten en wordt hun vee (dat die grond gebruikte om te kunnen grazen) door de parkwachten simpelweg gestolen, een ander woord zou misleidend zijn.

En dat alles opdat u maar zorgeloos in uw autootje kunt rondrijden.

Is dat de enige manier waarop die CO2-brokers en hun uitvoerders werken?

Welnee, je kunt ook de credits besteden aan het ‘schoonmaken’ van bijvoorbeeld een Chinese kolencentrale. Klein probleem: er wordt te China ongeveer wekelijks een nieuwe kolencentrale in gebruik genomen.

Stel u de volgende situatie voor: Men brengt een bijzonder vervuilende kolencentrale tot stand. Tegen betaling van heel veel credits (= heel veel geld) brengt men de vervuiling van deze centrale terug tot het ‘normale’ niveau. Resultaat: de eigenaars van de centrale worden letterlijk stinkende rijk. Of denkt u dat toch niemand zo slechts zal zijn?

Als het niet over vervuiling ging zou je sarcastisch zeggen: Frisse boys met hun mooie campagne.

En wie zou die bijdrage nu uiteindelijk betalen? Daihatsu of u?

Over Wiegel, Ajax, Rost van Tonningen en Samkalden

maart 27, 2007

070327.gif

Toen in 1980 Juliana bekend maakte af te zullen treden (bij koningen heet dat abdiceren, alles heet bij koningen anders: een stedentrip heet staatsbezoek) werd het duidelijk dat Beatrix ingehuldigd zou moeten worden.

De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Hans Wiegel achtte dat het moment om te verklaren dat die inhuldiging rustig zou geschieden. Rellen zouden niet worden getolereerd. Het eigenaardige was dat niemand nog maar een woord van protest had laten horen.

Een duidelijker invitatie was niet nodig. Krakers, republikeinen, reltrappers, schorem en vandalen begrepen wat Wiegel van ze vroeg. En hij werd dan ook op zijn wenken bediend: 30 april 1980 werd de grootste klerezooi die Amsterdam in jaren gezien had.

Je zou Wiegel in 1980 dan ook een voorloper kunnen noemen van Ajax- en Feyenoordfans die elkaar in 1997 per sms tot een knokpartij nabij Beverwijk inviteerden. Het gevolg één dode, die dezer dagen nog met een grote advertentie in een onsmakelijk landelijk dagblad herdacht werd.

Een wat typische vergelijking. Nou, ik dacht van niet. Natuurlijk verpakte Wiegel zijn invitatie tot een partijtje klopklop in deftiger bewoordingen dan de ongeletterden van ’97 dat deden. Het resultaat was niet minder voorspelbaar.

Vorige week bekreunden de media zich terzake van de zogenaamde gezinsdrama’s nog omtrent bezinning op hun rol en verantwoordelijkheden.

Wie schetst mijn verbazing over de wijze waarop het nieuws rond de dood van mevrouw Rost van Tonningen (de ‘zwarte weduwe’) gebracht wordt?

Ik. Ik schets mijn verbazing!

Afgelopen zaterdag werd dit overlijden bekend gemaakt. Begrijpelijk. Wat volmaakt onbegrijpelijk is dat NOS-Journaal, NOS-Teletekst en landelijke dagbladen onmiddellijk begonnen te speculeren over de plaats van de begrafenis en of dat dan geen gedonder op zou gaan leveren. Vandaag deed “Een Vandaag’ – smakeloos als altijd – een provocerende duit in dit zakje.

Let wel, er was geen enkele concrete aanleiding om over datum, tijdstip en wijze van begraven te speculeren. Hier wordt even welbewust tot een rel opgeroepen als wanneer men die zelf georganiseerd had.

Onsmakelijk, zeer onsmakelijk.

Het was ooit minister van justitie Samkalden die over oorlogsmisdadigers en hun aanhang verklaarde: ‘In het zicht van de dood treedt de mens terug.’

Solliciteren

maart 25, 2007

nozema.jpg

In de loop van je leven solliciteer je wel eens. Soms op eigen initiatief, soms op uitnodiging. Soms wordt het wat, soms niks.

Twee vreemde ervaringen:

Ergens in de jaren ’70 werd ik uitgenodigd ‘eens te komen praten’ bij wat toen het boekhandelsketentje Van Gelder was. Na een eerste plezierig gesprek diende er ook nog een onderhoud met het hoofd personeelszaken te volgen. Later zou dat Human Resources gaan heten. In goed Nederlands uiteraard.

De betrokken functionaris stond de psychologische aanpak voor. De gespreksopstelling was dan ook laten we zeggen apart. Aan een kant van de tafel ik, de personeelsman zat aan de andere zijde, echter niet met zijn gezichtsfront in mijn richting, maar kijkend naar links. Z’n stoel stond dan ook niet recht achter die tafel maar recht achter het lessenaartje aan de linkerzijde.

’t Gesprek had aanvankelijk een vrij normaal verloop, het vraag en antwoordspel dat je bij zo’n gelegenheid kunt verwachten. Soms, als de figuur aan de andere zijde iets wilde benadrukken keerde hij zich ineens half om, keek je nu eens wél aan en stelde een vraag. Ik moet zeggen dat deze voorstelling me behoorlijk begon te irriteren.

Plots draaide de man zich helemaal om, maakte volledig front, zette als prangend bedoelde ogen op en vroeg op zachte indringende toon: ‘bent u eerlijk.’

Ik heb geantwoord: ‘Jezus, heb je me toch nog te pakken’ en verliet het vertrek.

Een andere rare belevenis had betrekking op Nozema, da’s de club die vroeger de zendinrichtingen voor de Nederlandse radio en tv verzorgde. Met het digitale tijdperk in aantocht dachten ze aldaar dat hun marketingkant versterking behoefde. Via via, zoals dat gaat, was me gevraagd of ik met de sollicitatiecommissie wilde spreken. Ach, waarom niet?

Aardige mensen, merendeels. Techneuten ook, behalve dan de figuur die hier de human resources voor z’n rekening nam. Eerlijkheidshalve moet ik nu maar eens toegeven dat ik het niet op die personeelstypes heb. In de achterliggende 44 jaar arbeid ben ik er maar 2 tegengekomen met een rechtschapen karakter. De overigen waren zondermeer achterbakse hypocrieten wier voornaamste carrièreprobleem bestond uit het niet langer bestaan van de NSB.

Maar terug naar Nozema. Of de personeelsmeneer nu gezopen had of niet werd niet duidelijk, maar zijn aandeel aan het gesprek bestond uit scheefliggend in de stoel met half geloken ogen af-en-toe mompelend een vraag stellen.

Hoe gaat zoiets, je doet eerst even alsof je niks merkt en je hoopt dat het wel zal bijtrekken. Na zo’n halfuurtje zonder verbetering echter was mijn grens wel bereikt. Op de volgende liggend geponeerde vraag gaf ik terug: ‘Je kunt tenminste het fatsoen opbrengen om recht te gaan liggen als je me wat vraagt.’

Mijn verbazing was dan ook groot drie weken later uitgenodigd te worden door de directievoerenden, ze hadden twee kandidaten overgehouden en of ik zo vriendelijk wilde zijn?

Nee, dat wilde ik niet.

Toen ik een nieuw leven ging beginnen III

maart 24, 2007

070324-copy.gif

Een vooruitstrevende opvoeding had me stevig vertrouwen in de werking van vakbonden bijgebracht. Toen de eerste schellen me van de oogjes begonnen te vallen aangaande de achterhaalde beloningen in de drukkerij, waar het brood maar niet veel meer verdiend werd, dacht ik dat de krachten van de verenigde arbeidersmacht uitkomst zouden kunnen brengen.

In de grafische sector bestond toen – is dat nu nog zo ? – de situatie dat werknemers verplicht lid waren van een vakbond. Over vrijheid van vereniging zullen we het nu maar even niet hebben. In mijn onbenul hield ik dat het voor een goede toestand. Het bleek een onthutsende ontmoeting met het syndicalisme-in-werking.

Op een fraaie donderdagavond begaf ik me per rijwiel naar het spreekuur van mijn, ja onze, bond.

De ontvangst was allerhartelijkst. Koffie, zelfs een korte rondleiding door het gebouw! En volop vriendelijke aandacht voor mijn relaas. Het zou, zo verklaarde de in corduroy gehulde districtsbestuurder, de volle aandacht hebben. En nee, ik behoefde geen moment bang te zijn dat mijn positie of naam in het geding zou komen. Men stond voor de afgesloten cao! Menswaardige verhoudingen, daar ging het om! De bondsvlag achter zijn bureau boezemde vertrouwen in en opgelucht keerde ik huiswaarts. Het Recht Zou Zegevieren!

Argeloos ging ik dan ook de volgende vrijdagochtend in op het verzoek van de personeelschef om na de koffie even te komen praten. Hoe ik het in  mijn hoofd gehaald had met klachten naar de bond te gaan? Kort en goed ik was royaal belazerd. De vakbondsman had de inhoud van het gesprek met naam en toenaam al vroeg in de ochtend overgebracht en men was het er over eens geworden dat aan opstandigheid een halt diende te worden toegeroepen.

Tussen mij en de bonden is het nooit meer goed gekomen. Problemen met de werkgever? Eerst een goed gesprek, helpt dat niet engageer de beste advocaat uit de stad. Blijf ver van de hulpverlening uit solidariteit als u belangen u lief zijn. Het honorarium van de advocaat moge hoog zijn, hij werkt voor u en voor u alleen en behoeft niet later weer met dezelfde tegenpartij aan tafel om een contract te sluiten danwel in een of andere branchecommissie een fraai plan te ontwerpen.

De oer-Hollandse degelijkheid van moederszijde had me bijgebracht dat het onverstandig is oud schoeisel weg te gooien alvorens het nieuwe gearriveerd is. De toekomst moest gestructureerd benaderd. Kortom: Op zoek dus naar ander en beter emplooi.

Die bereidheid tot het omgooien van het roer werd nog verhaast door een gewelddadig incident.

De directie van het bedrijf werd gevormd door een tweetal heertjes. Kleine mannen met strak achterovergekamd haar. De heren N. en Van der W. hadden wel wat van elkaar weg, niet alleen betreffende hun opvattingen maar ook uiterlijk. Toch waren er wel verschillen. De heer Van der W. was in het bedrijf gedurende decennia langzaam naar deze uitzonderlijke hoogte gestegen, terwijl de heer N. het voorrecht had genoten na een verleden als planter in de Indische kolonie vanwege zijn feodale opvattingen als een der eersten door de nieuwe republiek het land uitgegooid te worden.

De heer N. had het zogezegd niet op Indo’s zoals dat toen heette.

Het trof dan ook bijzonder ongelukkig dat hij met zijn limousine tijdens het inrijden der directiegarage een Indische jongeman op een fiets aanreed. Wat wel gelukkig was dat het incident zich afspeelde in het volle gezicht van het personeel dat in de kantine de middagboterham tot zich nam.

Wat de heer N. vervolgens tegen deze jongeman zei vermochten we niet te horen. De reactie van de fietser was wel goed verstaanbaar. ‘Plopper?’ riep de man aangedaan. ‘Ik zal jou krijgen.’ En nog zo het een en ander. Waarop de heer N. weer iets terugzei, hetwelk evenmin de goedkeuring vermocht weg te dragen. Tenminste dat begrepen wij uit het feit dat de fietser inmiddels een zakmesje tevoorschijn goochelde waarmee hij tamelijk opgewonden begon te zwaaien.

De heer N. concludeerde dat dit het moment voor een strategische terugtocht was, overwon zijn embonpoint en rende (dikke mensen kunnen vaak verrassend hard rennen) het gebouw binnen. Door de kantine, wij volgden hem – als steeds benieuwd naar activiteiten der leiding – op de voet, de trap op naar zijn kantoor. Daar aangekomen wierp hij de deur achter zich dicht.

Helaas, gealarmeerd door het lawaai opende zijn collega Van der W. op dat moment zijn deur en betrad het halletje. Daar arriveerde juist het opgewonden jongmens zwaaiend met het zakmesje. Van der W. schatte de situatie onmiddellijk correct in, drukte zich tegen de muur en riep collegiaal wijzend op de gesloten deur van zijn makker: ‘Hem daar moet je hebben.’ Geroerd door dit staaltje van hulp in de nood bezag het nagenoeg voltallige personeel deze directionele crisis in aanbouw.

Deze persoonsverwarring en de nog steeds gesloten deur brachten enige vertraging in de ontwikkelingen teweeg, die de inmiddels gearriveerde dienders de mogelijkheid bood de situatie te bevriezen.

Naar ik later begreep is de verhouding tussen de beide directieleden nooit meer helemaal lekker geworden. Zelf heb ik die ontwikkelingen niet kunnen gadeslaan: de maandag na dat weekend belde de personeelschef van het toen nog kleine Elsevier-concern me. We hadden eerder tijdens de drie maanden tussen m’n school en de dienstplicht kennis gemaakt. Die ervaring was voor hem aanleiding een aanbieding te doen waarop ik diezelfde dag nog onmiddellijk inging. Aldus een nieuwe en verstandiger stap op de maatschappelijke ladder zettend.

Te Erg Om Waar Te Zijn

maart 24, 2007

Het snoepje van de week staat deze week in het teken van nationale en internationale rampen. Min of meer muzikale rampen, dat wel.

Wat hebben we ons geërgerd en wat hebben we gelachen!

Als eerste Ronnie Tober bij zijn eerste, enige en onvergetelijke optreden op het Eurovisie Songfestival. Met het vaderland is het daarna nooit meer helemaal goed gekomen. De grap die destijds de ronde deed was dat hier niet Ronnie optrad maar zijn tweelingbroer Ok. Nog een keer lezen en u vat ‘m wel. Humor is nooit een sterk punt geweest in de Nederlandse cultuur

Een buitenlands dieptepunt werd gevormd door Staff Sergeant  Barry Sadler. Sadler was een zogenaamde ‘green baret’, dat wil zeggen een Amerikaanse commando tijdens de oorlog in Vietnam.

Toen nu werkelijk bijna iedereen doorhad dat het gewapende optreden van de VS in Vietnam volmaakt onterecht en ook nog eens volkomen ineffectief was trad deze halvegare naar voren en bracht zingend hulde aan de commando’s. Een schandalig lied!

Als reactie werd te New York de SBSBTV-Foundation opgericht. SBSBTV betekende Send Barry Sadler Back To Vietnam.

Als laatste drama een optreden van de onvergetelijke Willy Alberti in de gelukkig totaal vergeten film ‘Rififi in Amsterdam’. Willy heeft duidelijk moeite zich een houding te geven en zijn optreden komt nu niet bepaald natuurlijk over.

‘Rififi in Amsterdam’ was zo genoemd naar een fameuze Franse film over een knap gezette inbraak. Eigenlijk was het de verfilming van het boek van W.H. van Eemlandt ‘Schatgravers aan de Amstel’. Zowel boek als schrijver zijn uit het nationaal geheugen gewist en niemand weet meer dat W.H. van Eemlandt het pseudoniem was van de vader van niemand minder dan Hella Haasse.

Jacqueline

maart 23, 2007

jacqueline-cramer.jpg

Morgen weer verder over de vrolijke ellende die me toeviel bij de start van wat ze een loopbaan noemen. Vandaag even een ander onderwerp.

“DEN HAAG – Minister van Milieu Jacqueline Cramer wil het rijden in een ‘schone’ auto van de zaak belonen met een lagere fiscale bijtelling. Ook wil ze dat de overdrachtsbelasting omlaag gaat voor mensen die een goed geïsoleerd huis achterlaten”

Ziedaar een ANP-bericht, zomaar in uw en mijn krant, zomaar op radio en tv.

Klinkt sympathiek en zit naar alle waarschijnlijkheid ook vol positieve bedoelingen. Laten we het even wat beter bekijken, mischien kunnen we er achter komen of het even aardig uitpakt als het ongetwijfeld bedoeld is.

Eerst die auto’s maar. Behalve allerhande merken en typen heb je 4 soorten auto’s. De eerste groep bestaat uit vervuilende en niet vervuilende auto’s die het eigendom zijn van particulieren, terwijl de tweede groep bestaat uit vervuilende en niet vervuilende auto’s ‘van de zaak’. Bij die laatste groep neemt men aan dat de berijder er ook wel privé in zal rijden, dat is inkomen en daarover betaalt die autorijder belasting.

Als niet-autorijder kijk ik daar wat vreemd tegenaan. Vinden we het dan niet belangrijk dat al die mensen die zelf een autootje hebben milieubewust gaan rijden? En als we dat belangrijk vinden, waarom zouden die dan niet beloond moeten worden wanneer ze notabene van hun eigen centen in een ‘schoon’ karretje investeren. Lijkt me moeilijk uit te leggen.

Een voorbeeld. Meneer B. rijdt voor het bedrijf (toevallig een ministerie) waarbij hij werkt in een simpel autootje. Meneer B. is een wat lagere employee, dus de auto mocht niet zo duur zijn en bij de vervanging stelt de werkgever – altijd op kostenbesparing uit – zich nog steeds op dat standpunt. Naar die milieuvriendelijke auto kan meneer B. dus fluiten. Als straf voor z’n lagere plaats op de maatschappelijke ladder mag meneer B. dus voor de ‘fiscale bijtelling’ de volle mep opbrengen.

Anders is het met Mevrouw C. Zij heeft bij datzelfde ministerie een heel hoge baan. De auto zal dus ook duurder mogen zijn. Daar kunnen werkgever en mevrouw C. goede sier mee maken. Een schoon en milieuvriendelijk exemplaar wordt aangeschaft. Als beloning ontvangt mevrouw C. een aantrekkelijke korting op diezelfde fiscale bijtelling. Daardoor in een permanent goed humeur gebracht kan zij iedere ochtend vrolijk in de file naar haar ondergeschikte B. wuiven.

Een wonderlijke en niet erg rechtvaardige regeling dunkt me. Bovendien nogal in tegenspraak met een vorige jaar in de Tweede Kamer aangenomen motie om de hoogte van de aanschafbelasting op auto’s af te laten hangen van de absolute zuinigheid.

Naast niet-autorijder ben ik ook niet-huizenbezitter. Een praktische keuze in mijn geval. Huizen die ik bezat vertoonden steeds de neiging om onmiddellijk na aanschaf in waarde te dalen en daarna allerhande onverwacht onderhoud te vergen.

De arme meneer B. (dezelfde!) zit nogal krap. Door de hoge hypotheeklasten, de gestegen lokale belastingen, de kosten van zijn schoolgaande kinderen (schoolboeken!), de uitwaterende sluizen, het hoogheemraadschap en gaat-u-nog-maar-even-door (en vergeet de fiscale bijtelling vanwege het autootje niet) mankeren hem de gelden om zijn woning uit de jaren ’70 ‘state of the art’ te laten isoleren. Door een reorganisatie gedwongen om te verhuizen brengt hij zijn vastgoed op de markt. Als verkoper van een niet geïsoleerd pand wordt van hem de volledige overdrachtsbelasting gevorderd.

Heel anders is het met mevrouw C. (we kennen haar nog) als oud-hoogleraar had ze al een aardige financiële reserve opgebouwd. Ook haar nieuwe functie mag er wezen. Ze heeft dus een paar jaar geleden de mogelijkheid aangegrepen haar woning te laten isoleren. Door dezelfde reorganisatie die ook de heer B. tot verhuizing brengt is het ook in haar geval aantrekkelijk om een andere woonplaats te kiezen. Ook haar woning wordt dus op de markt gebracht. Als verkoper van een goed geïsoleerd pand ontvangt mevrouw C. een leuke korting op de overdrachtsbelasting. Dit voordeeltje kan ze voegen bij de subsidie die ze een paar jaar geleden al ontving om haar pand te laten isoleren.

‘De duvel schijt op de grote hoop’ sprak mijn sociaal-democratische vader in zo’n geval.

Wind ik me over deze onrechtvaardigheden op? Gaat wel. Als niet-autorijder en niet-huizenbezitter treft het me niet in persoon. Het lijkt me echter allemaal nogal in strijd met die aardige gedachte van eerlijk delen.

Daarnaast lijkt het me ook vanuit milieuoogpunt wat weinig effectief. De energieslurpende woning van de arme B. blijft energie slurpen en ook zijn oude autootje zal voortaan door een andere minimumlijder worden bereden, terwijl het met zijn nieuwe limousine ‘qua milieu’ nauwelijks beter zal zijn gesteld.

De te nemen maatregelen liggen voor de hand: investeren in en goedkoper maken van openbaar vervoer, het verbieden van de import van nieuwe milieuonvriendelijke automobielen en een isolatiesubsidie die inkomensafhankelijk is, d.w.z. nu juist gevallen als dat van de heer B. ondersteunt.

Eén probleem is er met deze zinnige maatregelen: Brussel is er tegen. Concurrentievervalsing en zo, begrijpt u?

Toen ik een nieuw leven ging beginnen II

maart 22, 2007

p01.gif

Zoals gezegd: de werkzaamheden bij de formulierendrukkerij waar ik om acute broodnood te bestrijden emplooi had gezocht blonken voornamelijk uit door geestdodendheid en geringe financiële opbrengst.

Vanzelfsprekend was ik niet de enige die daarvan hinder ondervond. Mijn directe collega’s, allen jaren ouder dan uw dienaar, kampten zo mogelijk nog ernstiger met deze zaken. Een aantal hunner diende van de karige beloning een gezin te onderhouden, de anderen voerden toch ook op hun meer gevorderde leeftijd een soort van huishouding.

Het leven was duur en goede raad ook. Maar mijn collega’s bleken een methode ontwikkeld te hebben om hun verdiensten aan te vullen zonder dat de vrije tijd daarvan schade zou ondervinden en zonder dat daartoe extra inspanningen benodigd waren.

Na een paar weken, waarin men waarschijnlijk de kat uit de boom keek, werd ik in het complot betrokken. Het werkte als volgt: binnen de afdeling bleken even ijzerharde als illegale afspraken gemaakt omtrent het aantal orders dat je geacht werd per uur af te werken. Dat aantal was dusdanig dat het aanmerkelijk bleef onder de capaciteit die bij behoorlijk doorwerken te realiseren zou zijn. Het kwam er dus op neer dat met wat inspanning er binnen de reguliere uren meer productie kon worden geleverd dan de norm die tegenover de bedrijfsleiding werd volgehouden.

Dat meerdere werd bestempeld tot ‘overwerk’! Om geen argwaan bij de heersende machten te wekken diende men een aantal orders in de aktetas te laden, mee naar huis te nemen en onder de noemer van overwerk de volgende ochtend weer in te leveren. Dit terwijl de bittere werkelijkheid natuurlijk was dat de bedoelde orders ten tijde van het meenemen in de aktetas al volledig gereed waren.

De meer ethisch bevlogen lezer zal zich nu afvragen of terzake bij ons – of zo u wilt bij mij – geen sprake was van schuldbesef, wroeging of dergelijke zaken. Hier moet ik volmondig toegeven dat zulks in ieder geval bij mij – maar naar waarneming evenmin bij de collega’s – niet het geval was. Daarvoor zijn allerhande verontschuldigingen aan te voeren die u wellicht niet zullen bevredigen, ik ben er content mee dat u in dat geval er vanuit gaat dat mijn karakter ten diepste crimineel is.

Vanzelfsprekend zijn er, jaren later, vele bedenkingen tegen deze praktijk te uiten. Ik kan ze zelf bedenken. Maar de eerlijkheid brengt met zich toe te geven dat wij ons daar toen niet om bekreunden. De mogelijkheid op deze wijze toch nog een enigszins dragelijk inkomen te behalen had ons volledig in de greep.

Het kon echter nog beroerder: bij de aanloop naar de donkere en kostbare decembermaand voorzagen wij ieder voor zich grote financiële noden.

Onze anders altijd bedeesde en bleue chef bedacht een opzienbarende oplossing. Via een relatie uit de wielersport wist hij een pilletje te bemachtigen dat na inname een aanmerkelijke verhoging van de productiviteit met zich bracht. De papieren vlogen werkelijk door je handen, terwijl ook de stemming bepaald juichend werd.

Helaas voor klandizie en bedrijfsleiding behoorde een grotere accuratesse niet tot de werkingen van deze wonderstof. Onder de invloed van deze kleine pilletjes (voorzien van een erin geperste letter ‘P’, dosis twee per dagdeel) slaagden wij er simpel en opgewekt in de productiviteit meer dan te verdubbelen. Uiteraard werd het aldus gescoorde surplus bij de ‘overwerkvoorraad’ gevoegd. Dit leverde ons in die donkere dagen vanwege de leiding zelfs een compliment op vanwege aan de dag gelegde ijver.

Het pilletje ging onder de naam Preludine, en bleek ondanks alle flauwe grappen die vanzelfsprekend de ronde deden, geen bijzondere uitwerking bij het zo boeiende voorspel met zich te brengen. Ons interesseerde dat maar weinig en ook beseften we niet voorlopers op het terrein van de stimulerende middelen te zijn.

Is dit overwerkcomplot ooit ontmaskerd? In de herfst van 1965 – ik was toen al bij deze firma vertrokken – bracht een wilde staking in de Rotterdamse haven een eerste naoorlogse loongolf op gang. Eén van de gevolgen daarvan was dat ook dit bedrijf gedwongen werd de arbeidsvoorwaarden aan te passen en de normen van de CAO te volgen. De oude directie bleek zelfs voor de buitenlandse aandeelhouders wat al te zeer uit het feodale tijdperk en verdween. Normaler verhoudingen werden ingevoerd. Daarmee verdwenen deze illegale aanpassingen van het inkomen.