
De lieden op m’n tv (Mart Smeets beeldvullend voorop) zwijgen er geen moment over: de jacht op ‘doping’ is in volle gang. En dat is, zo moet ik begrijpen, een goede zaak. Helaas overtuigen de zeldzame argumenten die daarbij gegeven worden niet of nauwelijks. De twee voornaamste argumenten die genoemd worden zijn
- doping zou onsportief zijn, want concurrentievervalsend
- doping zou schadelijk voor de gezondheid zijn
Met het eerste argument kan ik weinig of niets behalve constateren dat de natuur concurrentievervalsend werkt. Zelf ben ik 1.65 m. Dat heeft naast mijn oogafwijking m’n kansen om ooit een succesvol basketballer te worden tot nihil gereduceerd. Ik acht dat in hoge mate onsportief, en betreur het dat al die lange slome types hun op geen enkele wijze verdiende lichaamslengte zo uitbuiten. Het wordt nog onsportiever wanneer je bedenkt dat onderzoek uitwijst dat die lange slungels ook gemiddeld op de relatiemarkt beter schijnen te scoren. Een schande! Daarbij komt dan nog dat het me bij schaarse sportieve bevliegingen steeds opviel dat m’n concurrenten veel langer en beter getraind hadden. Ja, zo kan m’n Tante Mietje het ook. Ze verschaften zich met vaak uitgekiende trainingsmethoden, die mij vanwege m’n gemakzucht onbekend waren, een concurrentievervalsende voorsprong. Wanneer ik langs de kant zat te krimpen van de spierpijn gingen zij onverdroten door met hun onsportief gedrag. Ik bedoel maar concurrentievervalsing is het hart van de prestatiesport.
Een voorbeeld? Met tegenzin, maar vooruit dan maar.
Wijlen Gerrit Schulte, een wielrenner met een indrukwekkende erelijst, heeft ooit een etappe in de Tour de France gewonnen. Ik meen dat de rit naar Bordeaux ging, maar hang me daar niet aan op.
Zo halverwege de koers zwoegde Gerrit op een behoorlijke achterstand achter de kopgroep aan. Aan zijn conditie mankeerde niets, maar de moraal was er die dag niet. Spoedig kwam het automobiel van ploegleider Kees Pellenaars langszij. ‘Gaat het Gerrit?’ vroeg den Pel in volmaakt onverstaanbaar Brabants. ‘Een kippetje met appelmoes’ hijgde Gerrit. ‘Ik mot een kippetje met appelmoes.’ Den Pel was natuurlijk niet voor één gat te vangen en bij de volgende ravitaillering ontving Schulte in z’n etenszakje een half gebraden kippetje met wat appelmoes.
The rest, as they say, is history.
Gerrit leek vleugels gekregen te hebben, verhoogde zijn tempo tot het niveau moordend, nam een aanzienlijke voorsprong en won de etappe (naar Bordeaux?) met overmacht.
Uiteraard bleken na de finish kippetje en appelmoes nog volstrekt onaangeroerd en gereed voor de afvalton in het linnen zakje te zitten. Alles wat Gerrit nodig had gehad was extra aandacht! Aandacht die aan de anderen niet gegeven werd. Een psychologische opsteker! Concurrentievervalsing en dus niets minder dan doping.
Het lijkt me dat het argument concurrentievervalsing hiermee wel afdoende als onzinnig is weggezet.
Het tweede puntje was de schadelijkheid van doping voor de gezondheid.
Wie wel eens de moeite heeft genomen op een willekeurige zondagmiddag in het voetbalseizoen de eerste hulp van een middelgroot ziekenhuis te bezoeken, weet dat sport ongezond en soms zelfs levensgevaarlijk is. De een na de ander wordt kermend of bewusteloos binnen gebracht. Lijdend onder de kwetsuren die hem zojuist bij die ‘gezonde’ sportbeoefening zijn toegebracht. Sport, en zeker wedstrijdsport, blijkt ongemeen slecht voor de gezondheid. Sportbeoefening brengt onze economie jaarlijkse voor tientallen miljoenen aan schade toe, alleen al door het veroorzaakt arbeidsverzuim.
Iedereen kent de tragedies van de sportlui die tengevolge van hun leuke tijdsbesteding met een levenslange kwetsuur verder moeten en hun gedeeltelijke invaliditeit aan de zo gezonde hobby te danken hebben.
En dan maken we ons druk om het gebruik van zogenaamde ‘verboden middelen’ die voor wat betreft de werking (als die er al is) volmaakt onbetekenend zijn vergeleken met de vrolijke cocaïnesnuif van de gevorderde reclamecreatief, of de alcoholafhankelijkheid van de snelle beursman.
Daarnaast: een beetje nuchter economische nadenken leert dat doping niet kan worden uitgebannen en dus maar beter kan worden vrijgegeven. Een verbod zou zuiverend moeten werken en juist niet tot groter gebruik moeten leiden.
Denk even aan de wetjes van vraag en aanbod.
Er is een levendige markt voor doping. Sporters, sponsors, managers, masseurs en artsen blijken steeds weer bereid er flink voor te betalen. De commerciële belangen zijn groot. Het spul wordt gebruikt in het heilige geloof, dat de prestaties erdoor verbeteren en dat de overwinning in de zak is, zeker als je als eerste het (nieuwe) middel gebruikt. Je koopt er dus een concurrentievoorsprong mee.
De vraag naar doping is prijsinelastisch. Succes werkt verslavend en zelfs drastische prijsverhogingen leiden niet tot minder gebruik. Het aanbod reageert op deze koopkrachtige vraag volgens de boekjes. Men levert wat gevraagd wordt, zolang er maar betaald wordt. Het nieuwste van het nieuwste, soms nog in het experimentele stadium en voor andere toepassingen bedoeld, komt langs allerlei kanalen op de dopingmarkt. Ook als die markt illegaal is. Die illegaliteit leidt alleen maar tot meer schaarste, hogere prijzen en vaak slechte kwaliteit.
Omdat de vraag prijsinelastisch is en het aanbod daarop reageert, heeft een radicaal verbod met nog strengere controles en hogere straffen geen enkel effect. Er blijft gebruikt worden, maar onder beroerde omstandigheden: slechte medische begeleiding en weinig of verkeerde informatie, slechte producten die niet of averechts werken met vaak levensbedreigende bijwerkingen, mensonterende toestanden bij dopingcontroles en politie-invallen.
De uitwassen zijn groot en het helpt allemaal geen fluit. Omdat de dopingmarkt niet kan worden uitgeschakeld is het beter om hem helemaal vrij te geven. Dat heeft verschillende voordelen. Om te beginnen wordt het aanbod vergroot omdat de kosten van illegaliteit verdwijnen. Daardoor kan op termijn de prijs dalen. De uitgespaarde kosten kunnen worden gebruikt voor de broodnodige verbetering van de medische begeleiding. Bovendien wordt de markt transparant, waardoor veel meer en betere informatie bij de gebruikers terecht komt. Middelen die niet of averechts werken of met levensgevaarlijke bijwerkingen vallen door de mand. Dopinggebruik zal daardoor van zijn mythe worden ontdaan en er zal een ‘shake out’ van de markt komen. Uiteindelijk zal het gebruik van doping minder maar wel beter worden: meer kwaliteit, meer en betere begeleiding. Door de dopingmarkt niet te verbieden maar juist zichtbaar te maken, kan die markt zijn heilzame werking doen. Ook komt aan de hypocrisie rond dopinggebruik een einde. Sporters weten het van zichzelf en van elkaar, sportofficials en –begeleiders hoeven hun ogen niet meer te sluiten en sportliefhebbers hoeven niet meer in het sprookje te geloven, dat in hun tak van sport niet wordt gebruikt.