Archief voor de ‘Ik Herinner Mij’ Categorie

Vrolijk de Toekomst in

juni 17, 2009

090617.jpg

1946:


Vla als toetje
Stampot met jus (zeg sju) in het kuiltje
Aardappelen met andijvie
Geen ijskast (tegenwoordig koelkast)
Macaroni
Geen auto’s in de straat
Een potkachel
Een kolenkit
Een inktlap
Een inktpot
Kip met appelmoes op hoogtijdagen
Een wereldwonder: de roltrap van de Bijenkorf
Een wasbord
Een zeepklopper
Plusfours

Sommige van die dingen wist ik al, andere zou ik spoedig leren.

Weet iemand nog hoe een wasbord er uit zag, en een inktlap of een zeepklopper?
Wie heeft er nog een kolenkit?

Een Gruwelijk Plaatje

juni 11, 2009

090611.jpg

Heeft u ook ergens nog van die foto’s waarvan u zou willen dat ze nooit gemaakt waren? Of waarvan u iedere keer weer hoopt dat ze – door een ingreep van hogerhand – spoorloos zouden raken? Die u met diepe schaamte vervullen? En die u om onverklaarbare reden toch nooit aan het vuur prijsgaf?

Dit plaatje voldoet – in mijn geval – volledige aan al het bovenstaande.

Excuses te over: Ik was net 19 jaar en koud 3 dagen als dienstplichtige opgenomen in het militair bedrijf. Het waren ontregelende daagjes, dat ook nog. Het fotootje werd gemaakt op initiatief van de militaire organisatie. ‘Een leuke herinnering voor later’ en ‘je zult er later trots op terugkijken.’

En toch, ik had wijzer moeten wezen. Die gespeeld verbeten trek om het jeugdige mondje, die frêle gestalte met dat veel te grote wapen, die bespottelijke lichaamshouding.

Ik verbeeld me later bij m’n verstand gekomen te zijn. En nee, ik bleek al spoedig niet bepaald te passen bij wat zo mooi heet de Krijgsmacht …

Maar toch: tenenkrommende schaamte.

Moederdag

mei 10, 2009

Het was in 1967 en we wandelden door de Amsterdamse Leidsestraat. In die ongeregelde dagen was dat nog een verkeersadertje waardoor automobielen van Leidseplein naar Koningsplein v.v. raasden. De overkant van de straat was dan ook bij tijd en wijle moeilijk bereikbaar. Een heden door de jeugd niet meer begrepen grapje luidde: ‘Probeert een man de Leidsestraat over te steken. Na een uur nog geen succes. Vol wanhoop wendt hij zich tot een oud vrouwtje dat tegen de muur geleund staat. Hoe kom je hier in hemelsnaam naar de overkant? informeert de man. Dat kan niet, daar moet je geboren zijn, geeft het vrouwtje terug.’

Door die Leidsestraat liep op die bewuste zaterdagavond een Limburgs echtpaar met hun tienerzoontje. Waar vinden we hier een chinees restaurant? vroeg de man me. Ik wees hem – vriendelijk als altijd – op de eerstvolgende zijstraat. M’n vriendinnetje van het moment siste: ‘Dat is die rottige Heintje met z’n ouders. Je had het kreng onder lijn 2 moeten douwen.’

Moederdag: ik moest me gisteren sufsjouwen op zoek naar een geschikt damestasje!

September

mei 9, 2009

090509.jpg

Het moet – volgens de mij overgeleverde verhalen – aan het eind van de zomer geweest zijn. U begreep al dat ik destijds het manneke in het pofbroekje was dat op de foto rond de krantenkiosk loopt. Het zal wel een geval geweest zijn van ‘kijk eens hoe leuk ik verstoppertje kan spelen’. Een vrolijk plaatje, maar ik geloof niet dat dit soort broekjes vandaag de dag nog erg in de mode is. Kennelijk deerde me dat toen nog niet, de lach is immers breed en duidelijk onbezorgd. Een jongetje van zo’n maand of 17 dat goed in z’n velletje steekt.

090509a.jpg

Pas bij héél goed kijken krijgt het plaatje iets navrants. Het jongetje zal bij het passeren van de kioskhoek een duidelijke NSB-leuze passeren, terwijl bij scherp speuren ook het nazi-propagandablad Signal door de kioskhouder prominent geëxposeerd blijkt te worden.

090509b.jpg

Het jaar waarin het plaatje gemaakt werd was 1944 en het zal waarschijnlijk september zijn geweest. De plaats was aan de Amsterdamse Jozef Israëlskade, een naam die door de bezetters verboden was. De fotograaf was onze moeder, dat kan niet anders want onze vader was door de mensen achter dat schandalige blaadje naar Duitsland geëxporteerd. Het fotootje zou hij dus pas in de zomer van ’45 onder ogen krijgen.

De heersers door duivelse listen bedwelmen ons met bloed’gen damp

mei 2, 2009

090502.jpg

Genoot u ooit van Bomans aardige boekje over Pieter Bas? Hilarisch, ook bij herlezing. Op een gegeven moment wordt de wat eigenaardige Bas door een samenloop van omstandigheden Minister van Onderwijs. Naar aanleiding van een incident wordt hij in de Tweede Kamer door een oppositielid geïnterpelleerd. Het kamerlid beschuldigt de minister er van dat door diens tekortkomen het blazoen van het vaderlandse onderwijs zou zijn bezoedeld. Minister Bas hangt dan een vindingrijke redenering op om uit te leggen dat er feitelijk niets aan de hand is. Naar zijn mening was het blazoen van het onderwijs al sinds lang niet brandschoon meer en is dat recentelijk niet erger geworden. De interpellant nu zou menen dat het schone blazoen recent vuil was geworden. Hoe het ook zij … aldus Bas, nu zien onze blazoenen er dus hetzelfde uit. Waar maken we ons dus druk over?

Deze wat langdradige inleiding (vinden mijn zoons!) heb ik nodig om mijn verbazing uit te spreken over al die tv-deskundigen en kranten die ons vertellen dat Nederland ‘zijn onschuld’ zou hebben verloren. Bij alle ernst lijkt me dat toch echt onzin en een vrucht van rottig geschiedenisonderwijs. Slavenschepen, godsdiensthaat, Willem III, de tachtigjarige oorlog, De Zeven Provinciën, Fortuyn, Van Gogh, Wilders, Janmaat enz. enz.

Onschuld verloren, m’n zolen.

Na 30 april volgt jaarlijks de 1e mei. In jeugdiger jaren, zo tot m’n twaalfde, vierde ik die ‘Dag van de Arbeid’ als kinderlijk lid van de AJC. Voor de wat recenter aanwas: de jeugdorganisatie van de socialistische beweging.

Van die club was ik een lid(je) uit traditie. Vanwege de overlevering in de moederlijke lijn, dat wel. Dat lidmaatschap was geen succes. Het koele feit dat ik u geen enkele foto in ajc-uniform kan tonen, mag u rustig als veelzeggend interpreteren.

Het zingen van de liederen uit de beweging ging me beroerd af, voor volksdansen ben ik – bij gebrek aan ritmische begaafdheid – volstrekt ongeschikt en lange wandelingen door de vrije natuur (met veldfles!) stonden me als kleuter al tegen. Voor het dragen van de vlag – dat leek me nou nog wel romantisch – bij de demonstratieve optochten, kwam ik bij gebrek aan lengte niet in aanmerking. Terwijl ook het hele kampeergedoe (slapen op strozakken en wassen met koud water) een bezoeking bleek.

Het enige lied uit die verdrongen periode dat ik nog kan reproduceren en enigszins zingen is ‘De Internationale’. Hét strijdlied van de arbeidersbeweging. In de Nederlandse vertaling van Henriette Roland Holst uiteraard. Da’s weer wat anders dan De Toppers.

Klein raadseltje:
Op de regel ‘De staat verdrukt; de wet is logen de rijkaard leeft zelfzuchtig voort’
Volgt:
a. Geen recht waar plicht is opgeheven geen plicht leert zij waar recht ontbreekt
b. Wij zijn ‘t moe naar and’rer wil te leven Broeders! hoort hoe gelijkheid spreekt:
c. Makkers! ten laatste male tot de strijd ons geschaard
d. Tot ‘t merg wordt d’arme uitgezogen en zijn recht is een ijdel woord

Uw oplossing kunt u in de volledige tekst hier controleren.

Voor de ongeschoolden in de arbeidersbeweging: de melodie kunt u zich hieronder enigszins eigen maken.

Augustus 1947

mei 1, 2009

090501.jpg

Zoals u in de afgelopen weken al merkte: ik ben weer eens doende de oude fotografieën op ordentelijke wijze te rangschikken. Wees gerust, niet alles wat daarbij mijn wijkend oog treft zal ik met u willen delen. Een aantal zaken dient binnen de haag der familie te blijven, andere herinneringen moet ik nog steeds zelf mentaal wat ordenen en nog andere dingen zullen – om derden niet in verlegenheid te brengen – wat mij betreft onbesproken in de nevel van de tijd verdwijnen.

Dat alles geldt niet voor dit fotootje. Het dateert uit de tweede helft van augustus 1947. Niet dat ik me de kalenderdatum herinner, maar gezien de gelegenheid kan het niet anders geweest zijn.

Wat weet ik van de zomer van ’47 ? Niet zo heel veel. Iets meer dan twee jaar na de bevrijding, de mooiste zomer van de twintigste eeuw ook. De mensen moeten blij geweest zijn, ondanks een wel heel zorgelijke economische situatie. En dan was er nog het gewapende conflict in wat toen nog Ons Indië heette, maar al spoedig Indonesië zou worden.

Het vrolijke baasje in het centrum van de foto was ik. En degene die met een oud klapcameraatje dit plaatje schoot moet mijn vader geweest zijn. Onze moeder houdt m’n hand vast. Het was dan ook een belangrijke gebeurtenis en dat zal de trotse verheugenis op het nog ongerimpelde kinderhoofdje en het degelijk gekamde haar verklaren. De eerste schooldag. Niet op de grote school weliswaar, maar toch … de kleuterschool. Ik herinner het me als een hele stap voorwaarts.

Was er welbeschouwd zo veel reden tot verheugenis? Je zou kunnen zeggen dat die eerste schooldag het begin van een leven met verplichtingen en vaste afspraken markeerde. Maar zeker is dat ik er zo niet tegenaan gekeken zal hebben. Nooit trouwens: een vrolijke luim is ook in de volgende decennia vrijwel steeds redelijk kenmerkend geweest.

Het verblijf op die kleuterschool (De Lange Pier in de Amsterdamse Pieter Aertzstraat) boeide me in de daarop volgende twee jaren overigens maar matig. Het spelen met de andere kinderen lag me wel. Ik kan me zelfs nog vaagjes een Ria en een Pepie herinneren. Ook ene Kobus staat me bij, vooral wegens zijn stem die een klank voortbracht die nog het meest weg had van iemand die in een leeg conservenblik staat te praten. Maar de zandbak heb ik eigenlijk nooit bijzonder leuk gevonden en het plakken van een papieren servethouder (hét traditionele moederdagcadeau!) werd met mijn onhandige vingertjes een oprechte ravage. Ook wat dat betreft heeft de tijd geen verbetering gebracht: wat ik vastpak gaat al spoedig kaduuk.

04-13-EK

april 24, 2009

090424.jpg

Er is een tijd geweest dat Mevrouw ‘Une Journée Bien Remplie’ en uw dienaar buitengewoon trots waren op dit autootje. Aan mijn enthousiasme behoeft u geen enkele betekenis te hechten. Een rijbewijs bezat ik nimmer, enig technisch inzicht zal ik nooit verwerven en smaak op het stuk van automobielen is me ook al niet gegeven.

Mijn lieve partner betoonde in die dagen wel enige vreugde over de majeure aanschaf die we met dit wagentje gedaan hadden. De prijs was er dan ook naar. Maar liefst 350 harde Hollandse guldens moesten we voor deze occasion op tafel leggen. Zelfs anno 1972 verklaarden kenners dat een behoorlijke fiets duurder diende te wezen.

Zoals u aan het wegdek kunt zien, waren wat twijfels omtrent de technische staat van ons nieuwste vervoermiddel misschien niet geheel onterecht. Dit vermocht echter niet om ons somber te stemmen: een week na de koop begaven we ons per Dafje 04-13-EK op weg naar het zonnige Frankrijk. Een tweetal weken in Parijs en drie weken in Lacanau, ter hoogte van Bordeaux.

Een compleet verslag van die vacantie gaan we hier niet schetsen. Jeugdig, straalverliefd, iets meer dan een jaar samenwonend. En dan Parijs + La Douce France … als u daar nog een tekening bij nodig hebt …

Toch was het niet uitsluitend romance en suikergoed en dat had wel iets met het Dafje van doen.

Onze eerste formidabele ruzie bijvoorbeeld: het vehikel bleek aan de bescheiden heuveltjes in de regio Bordeaux een hele hijs te hebben. Glooiing-opwaarts wilde de snelheid wel eens tot zo’n 10 kilometer per uur terugzakken. Daar stond dan weer tegenover dat we bij de afdaling makkelijk onze topsnelheid van 90 kilometer haalden. Soms had de klim zoveel van het autootje gevergd dat de motor bij het inzetten van de afdaling er resoluut mee stopte. Met luid geraas, dat wel.

Een garagist uit de omgeving bracht verlossing. Daar was speurwerk aan vooraf gegaan. Onderdelen voor en kennis van de Daf-producten bleken geen Franse specialiteiten. Maar na veel zoekwerk troffen we een met olie bevlekte monsieur die de v-snaar (hier moet u het zonder mijn uitleg stellen) verving. Daarna zou alles ‘formidable’ gaan.

In het dal tussen de twee volgende heuvels bevloog mij het idee de zaak te willen controleren. Even stoppen en de motor uitschakelen. U begrijpt, maar ons verbaasde het, dat die motor nooit meer aansloeg. Een wandeling van een kilometer of 10 naar de dichtstbijzijnde telefoon en het inschakelen van een sleepbekwame garagehouder volgden. Alles bij elkaar zo’n uur of 8. De irritatie en verwijten over en weer … onze eerste knallende ruzie. Een aardige ervaring!

Later, op de terugreis naar onze Nederlandse éénkamerwoning, scoorden we nabij Tours een tweetal lekke banden. Voorzienigheid: op nog geen 100 meter van een garage. Aardig baasje, die man. Reizende jongelui, prima, zo verklaarde hij. In zijn jeugd had hij zelf ook veel gereisd. Waarheen die reizen dan gingen … vraag je. Je wilt zolang de man met de wieltjes van je autootje bezig is de sfeer leuk, licht en vrolijk houden. Nou, Rusland in ’43 en ’44, verklaarde de technische vriend.

Het is slechts aan ons zwijgend karakterloos opportunisme te danken dat we al spoedig onze thuisreis konden hervatten.

Bij terugkeer in het vaderland slaagden we er in door bekwaam onderhandelen ons inmiddels geliefd automobieltje voor 400 harde guldens weer van de hand te doen. Ook behoorlijk karakterloos eigenlijk.

De Spreker

april 23, 2009

0904231.jpg

De heer die op het fotootje het woord voert is mijn vader. Niet alleen die van mij trouwens, maar ook van mijn goede broer. De gelegenheid zal een feestelijke geweest zijn: aan zijn houding herken ik moment waarop de spreker een puntige geestigheid debiteert. Achter mijn vaders gestalte valt het beeld van onze moeder weg. Ze zit dus op de foto onzichtbaar naast hem. Die situatie is geenszins overeenkomstig de werkelijkheid van hun huwelijk.

Onze vader had de hebbelijkheid (of onhebbelijkheid, het is maar hoe je het bekijkt) om van vrijwel ieder gezelschap waar hij deel van uitmaakte het voorzitterschap op zich te nemen. De gelegenheid om een toespraakje te houden liet hij zich niet makkelijk ontnemen. Die speeches waren meestal wat minder plechtstatig dan in die gezagsgetrouwe dagen (tweede helft jaren ’40 en jaren ’50) gebruikelijk was. De volksjongen uit de Amsterdamse Jordaan mocht z’n accent hebben afgelegd, z’n afschuw van luchtfietserij, mooipraterij en autoriteiten bleef onverminderd.

Het feestje – want dat was het, gezien de feestelijk gedekte tafel – zal zich hebben afgespeeld in het midden van de jaren ’50. Ook het restaurant herken ik. Het was destijds gelegen op de hoek van de Nic. Witsenkade te Amsterdam en ging voor lichtelijk chic door. De gelegenheid van de heugelijke bijeenkomst? Geen idee. Wel meen ik me de man op de foto rechts naast de spreker te herinneren. Hij was penningmeester ergens van, en dat klopt dan wel weer met zijn wat stoïcijnse houding.

Zonder langdurig uit te pakken over onze vrolijke jeugd, en de ontspannen opvoeding, is het misschien wel aardig te melden dat onze ouders niet als Pa & Ma of Vader & Moeder, maar als Gijs en Jean door het gezinsleven gingen. Van afstandelijkheid of autoritaire besluiten (je hoort en leest die dingen wel eens) was geen kwestie. Ik denk dat vrijwel alles bespreekbaar was en besproken werd. Een ouderlijk machtswoord kan ik me eigenlijk niet herinneren. Voor wat betreft de rolverdeling vermoed ik dat onze moeder de degelijkheid en standvastigheid vertegenwoordigde, terwijl de oude Gijs de vrolijkheid en broodnodige losheid inbracht. Terugkijkend realiseer ik me ook dat ik het ‘gat in mijn hand’ van vaderswege geërfd zal hebben, terwijl de financiële discipline van mijn moeder hopelijk in het genenpakket van mijn broer is beland.

Ook wat betreft de verderfelijke neiging om vrijwel automatisch het voorzitterschap her en der te bezetten ben ik lange tijd een ijverig navolger van het vaderlijk voorbeeld geweest. Het heeft decennia genomen alvorens ik er toe kwam me aan het vergaderwezen te onttrekken. De ijdele gewoonte om volgaarne het woord te voeren en dat te doorspekken met zogeheten snedigheden vermocht ik nog niet af te schudden. Kort van stof zijn de Van der Valk-mannetjes trouwens geen van allen. U bent gewaarschuwd.

Snoepgoed

april 20, 2009

090420.jpg

Het geraas door oude foto’s blijft zaken opleveren die een grijnslach op de ongeschoren kaken (zondag, toch niet écht een dag) brengen. Voor het plaatje uit 1967 hierboven geldt dat ook.

De bevallige deerne die u afgebeeld ziet gaat tegenwoordig door het leven als mevrouw ‘Une Journée Bien Remplie’. U begrijpt dat ik haar nimmer zo voor haar aangezicht benoem. Hoe ik haar wel aanspreek? Dat hangt van de situatie en de stemming af. En niet alle gebruikte termen zal ik met u willen delen … enig recht op persoonlijke levenssfeer … u begrijpt.

Wanneer haar optreden bepaald directief is – en dat wil wel eens geschieden – dan wordt de koosnaam ‘chef’ wel eens gebruikt, terwijl soms ook gerept wordt over een vingertje … zoals in ‘daar hebben we het alles aanwijzend vingertje weer’. Op haar beurt mag zij dan graag met een ‘jongeman!’ repliceren. ‘She Who Must Be Obeyed’ is ook een wel gebruikte betiteling, waar dan weer ‘oude zeur’ tegenover pleegt te worden geplaatst.

Begrijp uit het bovenstaande niet dat in onze bescheiden behuizing een volcontinue strijd om de macht gaande zou zijn. Dat stadium hebben we na zo’n dikke zevenendertig jaar ruimschoots achter ons gelaten. Het weerspiegelt uitsluitend dat mensen in de loop der jaren – als alles wat aardig verloopt – een eigen onderling spraakgebruik tot stand brengen. Verder gaat alles goed, en we dwalen af.

In de dagen van het fotootje hierboven werkte de goede Anneke in de horeca, u had dat misschien uit haar kekke outfit al geconcludeerd. Het betrof een tijdelijk dienstverband tussen een langjarig verblijf in Parijs en een jaartje in de VS. Het verwerven van de financiële middelen, om de reis naar de omgeving van Chicago mogelijk te maken, was de reden van die betrekking.

Het motief voor die landverhuizing was – althans voor een groot deel – gelegen in een Amerikaan die ondermeer luisterde naar de voornaam Bob. Mocht u een Yank van tegen de 70 ontmoeten met die naam, dan heeft u mijn volledige permissie om hem op het gelaat te timmeren. Blijkt het de verkeerde Bob te zijn dan kunnen we ons troosten met de gedachte dat falen minder erg is dan niet proberen. Wijlen Willem van Oranje zei ooit al zoiets.

Maar, we dwalen al weer af.

Waar het om gaat is natuurlijk het fotootje. Destijds – jaren geleden – bromde ik al bij het zien vergenoegd ‘snoepgoed’, en gisterenavond herhaalde ik goedkeurend en tevreden die opmerking. ‘Als je dat maar weet’, gaf mevrouw ‘Une Journée Bien Remplie’ zelfverzekerd terug.

Brievenbus

april 18, 2009

090418.jpg

Stukjes zoals dat van gisteren hebben gevolgen. Los van de herinneringen die ze loswoelen is het nu eenmaal onvermijdelijk dat een bezoek aan de oude fotodoos meer zaken weer naar boven roept.

Zoals bijvoorbeeld het fotootje hierboven. Ogenschijnlijk niet veel bijzonders: een vriendelijk lachende wat oudere dame die iets in een brievenbus stopt. Het is een indruk die ik kan billijken, al was het maar omdat ik lange jaren het plaatje ook ongeveer zo heb bekeken. Natuurlijk ik kende de dame heel veel beter, maar toch. Gisteren bleek weer eens dat het verstrijken van de tijd zo’n plaatje kan veranderen.

De mevrouw is nu in mijn ogen niet langer een wat oudere dame. Op de foto is ze namelijk ineens exact even oud als ik nu ben. Het is onze moeder en het leeftijdsverschil is verdwenen.

In de dagen dat mevrouw Une Journée Bien Remplie en ik trouwden, werd zulks in onze sociale omgeving als een redelijk burgerlijke daad gezien. Het kón wel, maar slechts amper. Het vieren van een bruiloft met alle daarbij behorende pomp-and-circumstance kwam dan ook niet in onze hoofden op. De formele handelingen zouden in aanwezigheid van onmiddellijke verwanten plaats vinden, terwijl vrienden enzovoort voor een feest later in de week werden uitgenodigd. Zonder nadere redengeving vanzelf.

Om onverhoedse feestgangers ten stadhuize vóór te zijn was afgesproken dat de kennisgevingen van onze onberaden stap pas de dag vóór de formaliteit op de post zouden gaan. Door het vroege uur van de afspraak met de ambtenaar van de burgerlijke stand was het dan uitgesloten dat spontaniteit de soberheid zou kunnen doorbreken. Mijn goede moeder, betrouwbaar op het stuk van adressenbeheer, belastte zich met die logistieke afhandeling.

We keken er dan ook bepaald van op toen ze onmiddellijk na het verlaten van het Amsterdamse stadhuis linksaf sloeg en met ferme tred op een brievenbus toetrad om daarin de trouwkaarten te deponeren. Zo’n beetje een etmaal later dan voorzien.

Het waren roerige jaren die seventies … en ze zou het vast en zeker ontkend hebben, maar ik houd het nog steeds voor waarschijnlijk dat ze toch wel eerst even zekerheid wilde hebben voor die brieven op de post gingen.