
Mag ik me er met een ‘Jantje van Leiden’ vanaf maken?
Ja, dat mag … want per saldo beslis ik daar hier over!
De Europese verkiezingen van vorige week lieten velen in verwarring achter. Niet iedereen natuurlijk, bij de PVV heerst euforie, daar komt de verwarring dus wat later. Ongeveer wanneer de eerste barstjes tussen kersverse fractieleider Madlener en Big Boss Geert zichtbaar gaan worden, schat ik. Mark My Words!
Het meest onthutsend was nog wel de reactie van de PvdA. Wouter Bos vindt dat nu eerst maar eens onderzocht moet worden wat de kiezers bedoelden. Die opmerking is moeilijk serieus te nemen. De PvdA laat op bijna wekelijkse basis onderzoeken wat de bevolking motiveert en hoe men de activiteiten van die partij ervaart. Als je het dan nu nog niet weet …
Ronald Plasterk toverde een aardige stelling vanonder zijn hoed: de intellectuelen van de PvdA begrijpen de gewone arbeider niet meer. Hij zei het anders, maar daar kwam het verhaal toch op neer. We moeten gaan luisteren, zo sprak de hooggeleerde. Kennelijk in de hoop dat die arbeider het allemaal nog één keer rustig gaat uitleggen. Alsof al niet sinds ’92 de PvdA volcontinu in aanhang terugloopt.
Jan Pronk bleek van mening dat de partij door een vent geleid dient te worden, en Liliane Ploumen vindt die opmerking weer niet chic. Gekibbel in de zandbak, vrienden.
Mag ik er – in alle bescheidenheid – op wijzen dat de reden van het wegrennen van al die kiezers al lang bekend is? Op 3 maart j.l. liet ik u het al weten en omdat wij van Une Journée Bien Remplie altoos hulpvaardig zijn, hieronder nog éénmaal:
Baumol is Alive and Kicking
Paniek in de Polder! Maurice de Hond laat weten dat bij verkiezingen op dit moment de PVV van Wilders het grootste aantal stemmen halen zou. De nieuwe harde lijn van Bos heeft dus niks geholpen. Het wegjagen van Ella Vogelaar heeft geen zoden aan de dijk gezet. De flinke-jongens-toon van Aboutaleb gaat de oplossing niet bieden. Aan de rechterkant al evenveel ellende: Mark Rutte kan zich opwerpen als strijder voor het vrije woord, maar Geert gaat met de aanhang aan de haal.
Zijn nu al die malle virtuele PVV-stemmers vreemdelingenhaters of discriminerende racisten? Of is het gewoon zo dat we sinds de verkiezingen van 2002 weten dat plusminus 16% van het electoraat volmaakt ontoerekeningsvatbaar is?
Waar komt die brandende ontevredenheid en dat overheersende wantrouwen tegen vrijwel alles en iedereen vandaan? Wat motiveert de mensen die op deze wijze hun gal spuwen?
Het zou wel eens – ik opper het voorzichtig – veel minder met angst voor vreemdelingen te maken kunnen hebben dan met ontevredenheid over de staat van de voorzieningen in ons land, met de kwaliteit van het onderwijs, de gezondheidszorg, het onfatsoen waarmee de overheid burgers bejegent, de verloedering van de openbare ruimte, de afwezigheid van de politie, de uitverkoop van de nutsbedrijven en de schaamteloze wijze waarop politieke bestuurders hun verantwoordingsplicht aan de laars lappen.
Ons aardige landje is sinds het begin van de jaren ’80 in toenemende mate met al die verschijnselen geconfronteerd. Sinds die tijd heeft de in confessionele en liberale kringen gangbare gedachte, dat de particuliere sector in principe efficiënter zou zijn dan de overheid, aan kracht gewonnen. Het geloof dat eigenlijk alleen het rijkswegennet, defensie en dijkbewaking door de overheid geleverd zouden moeten worden lijkt het – vooralsnog – gewonnen te hebben. De andere traditionele taken van de overheid werden of worden geprivatiseerd (=verkocht) of in zelfstandige organisaties ‘op afstand gezet‘.
Deed die overheid dat zonder aanleiding. Eerlijkheidshalve: Nee. Men is en was bij al die zaken van oordeel dat de kosten volslagen uit de hand liepen. En dat de organisaties tekort schoten in het op een efficiënte manier tegen aanvaardbare kosten leveren van hun ‘producten’. Het idee was dat door het organiseren op een bedrijfsmatige manier de productiviteit van deze dienstverleners zou gaan stijgen en dus de kosten weer in de hand zouden komen.
En dit nu is – dunkt mij – een foutje gebleken.
Allerhande vormen van dienstverlening zullen – noodgedwongen, want uit de aard van het werk – het tempo van productiviteitsstijging van de industriële bedrijfstakken niet kunnen volgen.
Laat me dat met een paar voorbeeldjes illustreren.
De ‘dienstverleners’ van het Koninklijk Concertgebouworkest kunnen – wat je ook probeert – Beethoven nog steeds niet veel efficiënter spelen dan in 1850. De dirigent kan proberen sneller met z’n stokje te zwaaien, maar wil de zaal niet leegstromen dan kan dat maar in zeer beperkte mate en hooguit in bepaalde passages. Wellicht dat er ook nog iets gewonnen kan worden door de triangel te vergeten, maar dan hebben we het wel zo ongeveer gehad.
Van heel snel praten worden de onderwijzer en docent niet productiever. Van grotere groepen en klassen wel. Ook onderwijsassistenten kunnen aan de productiviteit bijdragen. Al die maatregelen hebben echter gemeen dat ze ‘kostenmatig’ tot het gerommel in de marge behoren en bovendien buitengewoon veel terechte kritiek over slechter wordende kwaliteit veroorzaken.
Het zal u geen moeite kosten die voorbeelden te vertalen naar sociale diensten, de gezondheidszorg, de nutsbedrijven, de politie … kortom het hele net van voorzieningen waarvoor de overheid namens de samenleving verantwoordelijk placht te zijn.
Daarbij komt dan nog dat we ná de jaren ’60 van de vorige eeuw in toenemende mate van doen hebben met mondige burgers die – terecht – hoogwaardige dienstverlening verlangen tegen aannemelijke prijzen. Deze tegenstelling, tussen de kwaliteit die het publiek wenst en de kostenbesparingen die de politieke bestuurders nodig achten, houdt al die voorzieningen nu al enige decennia in een bijna wurgende greep. Met als natuurlijk gevolg een stroom van niet aflatende klachten van een cynisch wordende bevolking.
Zijn deze constateringen nu nieuw? Nee, treurig genoeg is dat allerminst het geval. De Amerikaanse econoom William Baumol heeft halverwege de vorige eeuw al de diagnose gesteld: allerhande vormen van dienstverlening kunnen onmogelijk het tempo van de industriële productiviteitsgroei bijhouden.
Misschien moet je het die traditionele confessionele en liberale politici niet eens kwalijk nemen dat ze dit soort inzichten niet in beleid verdisconteerden. Maar de achteloze wijze waarop de linkse en zogenaamde progressieve partijen de belangen van de samenleving verwaarloosden kan je als niet minder dan plichtsverzuim zien.
De huidige PVV-aanhang zal er niet in geloven, maar de enige effectieve bestrijding van Wilders c.s. zou wel eens niet gelegen kunnen zijn in het verketteren van hun vooroordelen, maar in het bieden een behoorlijk alternatief in de vorm van een overheid die de verantwoordelijkheden weer aan zich trekt.
En ja, om die fatsoenlijke algemene voorzieningen te kunnen betalen zal een inkomensherverdeling nodig zijn.
Maar wat was er nu eigenlijk tegen die rechtvaardiger verdeling van kennis, macht en inkomen?